ECLI:NL:GHAMS:2026:2314

Datum uitspraak
18-08-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.372.314
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 711 jo. 725 Rv. Verzoek tot conservatoir beslag op onroerende zaken, hoger beroep. Geen gegronde vrees voor verduistering.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.371.314/01

zaaknummer rechtbank : C/13/789890 KG RK 26-1003

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026

inzake

[appellant] ,

wonend in [plaats 2] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonend in [plaats 1] ,

niet opgeroepen.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 8 juli 2026, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 25 juni 2026, onder bovengenoemd zaaknummer gegeven waarbij zijn verzoek tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerden] is afgewezen (hierna: de bestreden beschikking).

In het beroepschrift heeft [appellant] de gronden van het hoger beroep aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en hem alsnog verlof zal verlenen tot het leggen van het hierna nader te omschrijven beslag ten laste van [geïntimeerden]

In verband met de aard van het geding en het voorliggende verzoek is aan [geïntimeerden] niet de gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1

[appellant] heeft als aannemer in 2017 de woning van [geïntimeerden] verbouwd. Dit heeft geleid tot een geschil over de kwaliteit van het werk en de (herstel)kosten. Bij vonnis van 25 februari 2026 is [appellant] door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van onder meer een bedrag van € 208.581,49 te vermeerderen met rente en kosten. [appellant] heeft aan dat vonnis voldaan en tevens hoger beroep tegen het vonnis ingesteld bij dit hof.

2.2.

Op 22 juni 2026 heeft [appellant] bij de griffie van de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift (beslagrekest) ingediend waarin toestemming wordt verzocht om beslag te leggen ten laste van [geïntimeerden] op twee onroerende zaken. Het beslag strekt tot zekerheid voor de nakoming van de terugbetalingsverplichting van [geïntimeerden] indien [appellant] in het onder 2.1. genoemde hoger beroep alsnog in het gelijk wordt gesteld.

2.3.

In de bestreden beschikking heeft de voorzieningenrechter, samengevat, overwogen dat het aan [appellant] is om aan te tonen dat zijn vordering summierlijk deugdelijk is en dat uit zijn grieven, na summier onderzoek, onvoldoende duidelijk is geworden dat het vonnis van 25 februari 2026 zal worden vernietigd. Ook een belangenafweging maakt niet dat het verlof wordt verleend, aldus de voorzieningenrechter. Tegen deze overwegingen komt [appellant] op met zijn drie grieven.

2.4.

Aan de behandeling van de grieven wordt niet toegekomen. Dit heeft te maken met het volgende. Verlof voor het leggen van conservatoir beslag op onroerende zaken kan slechts worden verleend als de verzoeker heeft aangetoond dat gegronde vrees bestaat voor verduistering van die zaken door de schuldenaar (artikel 711 lid 1 jo 725 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In hoger beroep is het hof aan dezelfde maatstaf gebonden.

2.5.

[appellant] heeft in zijn inleidende verzoekschrift onder randnummer 22 met betrekking tot de vrees voor verduistering gesteld dat:

- [geïntimeerden] het ‘niet zo nauw nemen met de feiten’;

- [geïntimeerden] spelen met de gedachte te vertrekken naar het buitenland;

- [geïntimeerde 1] een onduidelijke en verbrokkelde arbeidshistorie heeft;

- de (mogelijke) terugbetalingsvordering zeer hoog is;

- [geïntimeerden] geen afspraken maken en niet reageren op verzoeken van [appellant] over beperking van de schade en het stellen van zekerheid.

Dit alles, in onderling verband bezien, staaft de vrees voor verduistering door [geïntimeerden] , althans bezwaring van de eigendom van de aangeduide onroerende zaken, aldus [appellant] . In het beroepschrift heeft [appellant] met betrekking tot de vrees voor verduistering niets aanvullend gesteld.

2.6.

[appellant] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete en objectief verifieerbare feiten gesteld die de vrees rechtvaardigen dat [geïntimeerden] de specifieke beslagobjecten aan verhaal zullen onttrekken dan wel anderszins buiten het bereik van [appellant] zullen brengen. Geen van de door hem aangevoerde omstandigheden biedt een aanknopingspunt, laat staan een voldoende concreet aanknopingspunt, voor het oordeel dat de vrees voor verduistering gegrond is. Het verzochte verlof kan alleen al daarom niet worden gegeven.

2.7.

De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als in het ongelijk gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, K. van Dijk en G.J.W. Pulles en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »