afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001001-23
datum uitspraak: 30 januari 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-319544-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
16 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
De verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuige [naam] en het verhandelde ter terechtzitting hebben het hof niet tot andere conclusies gebracht dan die de rechtbank heeft getrokken. In het bijzonder komt het hof niet tot het oordeel dat een lichtere straf op zijn plaats zou zijn.
Het hof verenigt zich dus met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de overwegingen over de Vidgen-jurisprudentie schrapt en de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Voorts acht het hof termen aanwezig om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.J.A. Duker en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2026.