25/1246 WIA, 26/1176 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 mei 2025, 24/3577 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van de aan appellante toegekende WIA-uitkering terecht heeft vastgesteld op € 51,55. Bij de berekening van het dagloon heeft het Uwv onder andere rekening gehouden met een door appellante ontvangen stagevergoeding. Appellante is van mening dat deze stagevergoeding niet kan worden aangemerkt als sv-loon en daarom niet bij de berekening van haar dagloon moet worden betrokken. Daarnaast stelt appellante dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst. De Raad volgt appellante hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon juist heeft berekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord en op 16 juni 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Knippenbergh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is met ingang van 1 december 2021 werkzaam geweest als trainee bij [werkgever 1] B.V. (werkgever 1). Op 4 februari 2022 heeft zij zich voor dit werk ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2024 aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend met ingang van 4 maart 2024. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 62,92%. Het WIAdagloon is hierbij – na indexering – vastgesteld op € 46,63.
Voor de berekening van het dagloon is het Uwv uitgegaan van het loon dat appellante heeft genoten in de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022, de zogenoemde referteperiode. Dit betreft naast het loon uit het dienstverband met werkgever 1 ook de inkomsten die appellante in de periode van 15 maart 2021 tot en met 8 oktober 2021 heeft gehad uit een stage bij [werkgever 2] B.V. (werkgever 2). Omdat appellante in de referteperiode voor het eerst loon heeft genoten in maart 2021 en het dienstverband bij werkgever 2 is aangevangen op 15 maart 2021 heeft het Uwv met toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) appellante als starter aangemerkt en het totale sv-loon dat zij in de referteperiode heeft genoten gedeeld door 231 dagloondagen.
Bij besluit van 6 september 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de stagevergoeding die appellante heeft ontvangen van werkgever 2 terecht heeft meegeteld bij het vaststellen van het dagloon. Dat appellante niet meedraaide in het productieproces neemt niet weg dat zij stage liep voor haar eigen ontwikkeling, en dus om vakbekwaamheid te verwerven in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 16 april 2025.1 Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat betrokkenheid van werkgever 2 bij het onderzoek dat appellante tijdens haar stage deed en enig belang bij de uitkomst daarvan niet kan worden ontkend. Voor het aannemen van een fictieve dienstbetrekking pleit verder dat appellante niet iedere maand de vergoeding van € 400,- ontving, maar dat de hoogte van de vergoeding afhankelijk was van het aantal gewerkte uren. Dit was ook uitdrukkelijk geregeld in de stageovereenkomst. Dit betekent dus ook dat de stagevergoeding niet was gekoppeld aan het maken van onkosten. Tot slot is de vergoeding in vergelijking met het loon in een reguliere dienstbetrekking niet erg hoog te noemen, maar dit is inherent aan een stage. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de stage terecht heeft aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking en de stagevergoeding terecht is aangemerkt als loon in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de stagevergoeding niet moet worden meegenomen bij de berekening van het dagloon. Appellante heeft in dit verband benadrukt dat zij tijdens haar stage werkte aan haar eigen afstudeeropdracht. Zij had binnen het bedrijf een begeleider waarmee zij kon overleggen over haar onderzoek maar zij had verder geen betrokkenheid bij het bedrijf. Er was dus geen sprake van een situatie waarin appellante werkzaam was om vakbekwaamheid te verwerven. De vergoeding van € 400,- per maand, die op grond van de stageovereenkomst werd betaald, moet volgens appellante worden beschouwd als een onkostenvergoeding en niet als loon in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964. Verder heeft appellante aangevoerd dat strikte toepassing van de dagloonregels in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij relatief kort na de indiensttreding bij haar laatste werkgever ziek is geworden en dat het feit dat de stagevergoeding wordt meegenomen een sterk dagloonverlagend effect heeft.
De gewijzigde beslissing op bezwaar
4. Naar aanleiding van een vraagstelling door de Raad heeft het Uwv op 16 juni 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit heeft het Uwv bepaald dat de loonloze maand november 2021 niet moet worden meegenomen bij de vaststelling van het aantal dagloondagen. Het in de referteperiode genoten sv-loon moet daarom worden gedeeld door 209 dagloondagen en hiermee komt het dagloon (na indexering) uit op € 51,55. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 maart 2024 is in zoverre alsnog gegrond verklaard. Appellante heeft haar eerder aangevoerde gronden gehandhaafd.
Het oordeel van de Raad
5. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Nu bestreden besluit 1 in de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellante wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
In geschil is of het Uwv in bestreden besluit 2 terecht het WIA-dagloon heeft vastgesteld op € 51,55. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De stagevergoeding
Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de stagevergoeding die appellante heeft ontvangen van werkgever 2 terecht heeft aangemerkt als sv-loon en heeft meegenomen bij de berekening van het WIA-dagloon. Hiervoor is de vraag van belang of het Uwv de verhouding tussen appellante en werkgever 2 terecht heeft aangemerkt als een zogenoemde fictieve dienstbetrekking als omschreven in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet LB 1964. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de vergoeding die appellante heeft ontvangen tijdens haar stage niet slechts een onkostenvergoeding betreft, maar terecht is aangemerkt als sv-loon.
Het standpunt van appellante dat zij niet werkzaam was om vakbekwaamheid te verwerven en de vergoeding die zij van werkgever 2 ontving moet worden aangemerkt als een onkostenvergoeding vindt geen steun in de stukken. In aanvulling op wat de rechtbank hierover heeft overwogen, acht de Raad hierbij van belang dat in de stageovereenkomst tussen appellante en werkgever 2 staat dat appellante tijdens haar stage in de gelegenheid wordt gesteld om praktische ervaring op te doen in de onderneming van de werkgever. Verder zijn in de stageovereenkomst vaste werktijden afgesproken (in totaal 40 uur per week), waarvan in overleg kon worden afgeweken. Over de vergoeding van € 400,- bruto per maand is in de stageovereenkomst bepaald dat deze is gerelateerd aan het genoemde aantal uur. Dit blijkt ook uit de loonstroken van juni 2021 en september 2021, waarin appellante een lagere vergoeding heeft ontvangen omdat zij (deels onbetaald) verlof heeft genoten. Verder is van belang dat appellante niet heeft geconcretiseerd op welke onkosten de vergoeding van € 400,- per maand betrekking zou hebben gehad. De beroepsgrond slaagt niet.
Het evenredigheidsbeginsel
Ook het beroep dat appellante heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift (dat geen wet in formele zin is) voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van een onevenredig nadeel.2 De door appellante gestelde omstandigheden leiden in dit geval niet tot conclusie dat het bestreden besluit voor haar een onevenredig nadeel oplevert. Daarvoor is het volgende van belang.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, volgt de referteperiode voor de vaststelling van het dagloon dwingend uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen.3 In het geval van appellante wordt de hoogte van het dagloon veroorzaakt door de omstandigheden dat het loon dat zij tijdens de stageperiode heeft ontvangen aanmerkelijk lager was dan het loon dat zij heeft verdiend bij werkgever 1 en dat zij relatief kort na de indiensttreding bij werkgever 1 ziek is geworden. Dit is een bewust en voorzien gevolg van de systematiek van het historisch dagloon.
Conclusie en gevolgen
Aangezien het Uwv in hoger beroep met bestreden besluit 2 het WIA-dagloon heeft verhoogd, slaagt het hoger beroep. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet en de Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 2 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.203,- voor verleende rechtsbijstand. De kosten van bezwaar zijn al door het Uwv vergoed.
Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak;
-
verklaart het beroep tegen het besluit van 6 september 2024 gegrond en vernietigt dit besluit;
-
verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2026 ongegrond;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-;
-
bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- aan appellante vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip loon.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 12, eerste lid, van de Wet WIA:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen; en
[…]
Artikel 13 van de Wet WIA:
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
[…]
Artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen: Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
[…]
e. degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht;
[…]
Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964:
Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.
Artikel 14 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen:
a. de toeslagen en aanvullingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van die wet;
b. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en
c. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW
Artikel 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
(…)
Artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen:
Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, ‘261’ te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.