ECLI:NL:CRVB:2026:1329

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
24/1240 WSFBSF
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming studiekosten op grond van de Wtos. Hoger beroep minister. Aanspraken op grond van de Wtos zijn uitsluitend bedoeld voor (bepaalde) opleidingen in Nederland. Er is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in het voorliggende geval geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. De minister hoefde geen onderzoek te doen naar de financiële situatie van betrokkene. Betrokkene heeft daartoe onvoldoende individuele bijzondere omstandigheden gesteld en onderbouwd. De gevolgen van de keuze voor onderwijs in het buitenland komen voor rekening van betrokkene.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

24/1240 WSFBSF, 24/2370 WSFBSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 mei 2024, 23/2145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

SAMENVATTING

Voor buitenlandse schoolopleidingen bestaat geen recht op een tegemoetkoming op grond van de Wtos. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule onderzoek had moeten doen naar de financiële situatie van betrokkene. Betrokkene heeft daartoe onvoldoende individuele bijzondere omstandigheden gesteld en onderbouwd. Betrokkene kan zich verder niet op de hardheidsclausule beroepen om een categorale uitzondering voor excellente buitenlandse opleidingen te bewerkstelligen.

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld en, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een besluit van 29 mei 2024 genomen. Dit besluit is bij de Raad geregistreerd onder nummer 24/2370.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 september 2026. Voor de minister heeft mr. G.J.M. Naber via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. Voor betrokkene heeft [naam] via beeldbellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.

Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 2005, heeft op 5 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming scholieren op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos1 in verband met het volgen van voltijds voortgezet onderwijs (International Baccalaureate programma) aan het [naam College] ( [naam College] ).

1.2.

Met een besluit van 15 mei 2023 heeft de minister de aanvraag voor de periode april 2023 tot en met december 2023 afgewezen.

1.3.

Met een besluit van 18 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 mei 2023 ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover hier van belang, overwogen dat betrokkene niet is ingeschreven aan een opleiding voor voortgezet onderwijs waarvoor toelagen kunnen worden toegekend op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos. Voor afwijking van de wet met toepassing van de hardheidsclausule ziet de minister geen aanleiding. Het ontbreken van een aanspraak in het geval van betrokkene is door de wetgever voorzien en is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

2.1.

De rechtbank heeft overwogen dat het [naam College] , waar betrokkene onderwijs volgt, geen onderwijsinstelling is die recht geeft op een tegemoetkoming voor scholieren op grond van artikel 2.9 van de Wtos, zodat volgens de wet geen recht op een tegemoetkoming bestaat. Betrokkene wordt niet gevolgd in haar stelling dat het besluit in strijd met de bedoeling van de wetgever is. De tekst van artikel 2.9 van de Wtos is duidelijk. Deze verzet zich tegen de verstrekking van een tegemoetkoming aan scholieren die onderwijs volgen aan een school die niet onder deze bepaling valt. Strikte toepassing van de formeelwettelijke bepaling kan niet geacht worden zozeer in strijd te zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing daarom achterwege zou moeten blijven. De regelgeving sluit betrokkene namelijk niet per definitie uit van een tegemoetkoming. Zij kan onderwijs volgen aan een wel aangewezen instelling. Verder heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

2.2.

Ten aanzien van de vraag of wat betrokkene heeft aangevoerd voor de minister aanleiding had moeten zijn om de hardheidsclausule toe te passen, heeft de rechtbank het volgende overwogen. Betrokkene heeft onbetwist gesteld dat zij onderwijs mocht volgen op het [naam College] . Zij heeft een brief van 28 juni 2022 van de leerplichtambtenaar overgelegd, waaruit blijkt dat aan haar ouders vrijstelling is verleend van de verplichting om te zorgen dat betrokkene als leerling van een school in Nederland staat ingeschreven. De moeder van betrokkene heeft kinderbijslag voor haar ontvangen totdat zij 18 jaar werd. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij onevenredig hard wordt getroffen door het wegvallen van de kinderbijslag en het niet toekennen van een tegemoetkoming nu zij volwassen is. Ter zitting heeft de moeder van betrokkene verklaard dat de school in [land] eigenlijk niet te betalen is nu betrokkene geen tegemoetkoming ontvangt en er een financieel gat is ontstaan na het wegvallen van de kinderbijslag. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze omstandigheden van betrokkene in de primaire fase en in bezwaar onvoldoende heeft afgewogen. Weliswaar heeft de minister in het bestreden besluit aandacht besteed aan de hardheidsclausule, maar de rechtbank stelt vast dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de minister onderzoek heeft gedaan naar de concrete (financiële) omstandigheden van betrokkene. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van artikel 3:2 van de Awb2 verplicht is om te onderzoeken of betrokkene door het wegvallen van de kinderbijslag en het niet verstrekken van de tegemoetkoming op grond van de Wtos wellicht in de situatie zou kunnen raken dat zij haar opleiding niet zou kunnen voortzetten en de minister had die gevolgen vervolgens moeten afwegen tegen zijn belang om in het geval van betrokkene geen tegemoetkoming toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat de minister die afweging alsnog dient te maken. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Nader besluit

3. Zoals onder het procesverloop is weergegeven, heeft de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 29 mei 2024 een nader besluit genomen. De minister heeft het bezwaarschrift wederom ongegrond verklaard en zich daarbij op het standpunt gesteld, voor zover hier van belang, dat de financiële situatie van betrokkene geen reden is om de hardheidsclausule toe te passen.

Het standpunt van de minister

4.1.

De minister is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij is bepaald dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule actief onderzoek had moeten doen naar de financiële situatie van betrokkene en hij op grond van het resultaat van dat onderzoek alsnog een belangenafweging had moet maken. In dit verband heeft de minister aangevoerd dat de gestelde financiële situatie – die bovendien op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt – geen reden vormt om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van een duidelijke wettelijke regeling. Het financiële gat na het wegvallen van de kinderbijslag is het gevolg van de door betrokkene gemaakte keuze om voortgezet onderwijs in het buitenland te gaan volgen, terwijl zij wist (dan wel kon weten) dat er voor een opleiding inhet buitenland geen recht op een tegemoetkoming scholieren bestaat. De gevolgen van deze keuze komen voor rekening van betrokkene. Dat betekent dat, indien zou blijken dat het volgen van een opleiding in buitenland uiteindelijk financieel niet haalbaar zou zijn, dit geen reden vormt om met toepassing van de hardheidsclausule een tegemoetkoming scholieren toe te kennen.

Het standpunt van betrokkene

4.2.

Betrokkene heeft in verweer te kennen gegeven dat zij de opleiding aan het [naam College] met succes heeft afgerond en nu een opleiding volgt aan de Universiteit van Maastricht. Volgens betrokkene kon zij de financiële consequenties bij aanvang van de opleiding niet volledig overzien, ondanks het feit dat haar ouders hoogopgeleid zijn. Niet alleen betrokkene heeft financieel nadeel ondervonden van het besluit van de minister maar ook haar zus, omdat zij hierdoor meer moest lenen voor de door haar gevolgde opleiding in Nederland. De toekenning van een toelage draagt bij aan een rechtvaardige uitkomst voor haar situatie en voor toekomstige gevallen.

Het oordeel van de Raad

5.1.

De Raad beoordeelt primair of de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd aan de hand van wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Indien het hoger beroep slaagt, zal de Raad (ingevolge de devolutieve werking)3 een oordeel geven over de beroepsgronden die door de rechtbank onbesproken zijn gelaten. Omdat het instellen van hoger beroep in een zaak als deze ingevolge artikel 8:106 van de Awb niet leidt tot opschorting van de werking van de uitspraak van de rechtbank, heeft de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het besluit van 29 mei 2024 genomen, zoals hiervoor al is weergegeven onder procesverloop en rechtsoverweging 3. Dit besluit wordt gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrokken. De Raad komt echter pas toe aan een inhoudelijk oordeel over dit besluit wanneer het hoger beroep van de minister niet slaagt. De wettelijke bepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

5.2.

De Raad stelt vast, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat het [naam College] , waar betrokkene ten tijde van belang onderwijs volgde, geen onderwijsinstelling is die recht geeft op een tegemoetkoming voor scholieren op grond van artikel 2.9 van de Wtos, zodat volgens de wet geen recht op een tegemoetkoming bestaat.

5.3.

In artikel 11.4 van de Wtos is door de wetgever aan de minister de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule biedt de minister niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een bepaling in de Wtos, als de onverkorte toepassing van die bepaling in het concrete geval in overeenstemming moet worden geacht met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Dat is vaste rechtspraak.4

5.4.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het de uitdrukkelijke bedoeling is van de wetgever dat slechts aanspraak op een tegemoetkoming op grond van de Wtos bestaat voor (bepaalde) opleidingen die in Nederland gevolgd worden.5 Gelet op de expliciete keuze van de wetgever wordt in artikel 2.9 van de Wtos alleen verwezen naar wetten die een werking binnen Nederland hebben.

5.5.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister in het kader van de mogelijke toepassing van de hardheidsclausule onderzoek had moeten doen naar de financiële omstandigheden van betrokkene om te kunnen beoordelen of zij, na het wegvallen van de kinderbijslag, het onderwijs aan het [naam College] nog wel zou kunnen voortzetten. In een aanvraagsituatie als hier aan de orde is het aan betrokkene om bijzondere individuele omstandigheden te stellen, en te onderbouwen, die de minister aanleiding moeten geven om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Het ligt niet op de weg van de minister om actief onderzoek te moeten doen naar dergelijke omstandigheden.

5.6

Verder is, gelet op wat onder 5.3 en 5.4 is overwogen, het in algemene zin moeilijk voorstelbaar dat financiële omstandigheden van de scholier en zijn ouders aanleiding kunnen geven tot toepassing van de hardheidsclausule. In dit concrete geval is dat niet anders. Het ontstaan van een financieel gat door het wegvallen van de kinderbijslag en het gemis van een toelage op grond van de Wtos zijn immers het directe gevolg van de keuze voor het volgen van een schoolopleiding buiten Nederland. Daarin heeft de wetgever in beginsel voorzien en in zoverre komt dit gevolg volledig voor rekening van betrokkene.

5.7.

Uit 5.5 en 5.6 volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepsgrond die de rechtbank onbesproken heeft gelaten, beoordelen.

5.8.1.

Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat voor opleidingen voor voortgezet onderwijs aan het United World College (UWC) buiten Nederland, met toepassing van de hardheidsclausule, een categorale afwijking van artikel 2.9 van de Wtos moet worden gemaakt omdat het niet toekennen van een toelage voor deze opleidingen ingaat tegen de bedoeling van de wetgever. Het zijn excellente opleidingen die leerlingen goed voorbereiden om later bij te dragen aan de Nederlandse samenleving, wat het doel is van onderwijs. Bovendien zorgt een categorale afwijking voor gelijke kansen op goede educatie, zodat ook leerlingen van ouders met een modaal inkomen naar het UWC kunnen.

5.8.2.

Uit 5.3 en 5.4 volgt dat deze beroepsgrond niet slaagt. De door betrokkene voorgestane categorale afwijking van artikel 2.9 van de Wtos is evident in strijd met de bedoeling van de wetgever. Wat betrokkene in dit verband heeft aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

5.9.

Uit 5.3 tot en met 5.8.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. Verder moet het nadere besluit van 29 mei 2024 worden vernietigd, omdat aan dit besluit de grondslag is ontvallen. De rechtbank heeft de minister immers ten onrechte opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit alles betekent dat betrokkene geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de Wtos.

6. Voor een vergoeding van proceskosten en voor het heffen van griffierecht van de minister bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • vernietigt het besluit van 29 mei 2024.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en scholieren

Artikel 2.3. Leeftijd

1. Op tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 4 kan aanspraak bestaan met ingang van de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de leerling de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.(…)

Artikel 2.9. Voortgezet onderwijs

Voor tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 4 kan een scholier in aanmerking komen die is ingeschreven:

a. aan een school die op grond van de WVO2020, de WEC of de Experimentenwet onderwijs volledig en rechtstreeks uit de openbare kas wordt bekostigd, waaronder het volgen van onderwijs in de vorm van contractactiviteiten niet is mede begrepen;

b. aan een op grond van artikel 2.66 WVO 2020 aangewezen school;

c. aan een school die is erkend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen voor zover de gevolgde cursus onder de reikwijdte van die wet valt;

d. voor een cursus die wordt bekostigd op grond van artikel 4.28 WVO 2020; of

e. voor bij ministeriële regeling aangewezen onderwijs, vergelijkbaar met de onderdelen a tot en met d.

Artikel 11.4. Hardheidsclausule

Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »