ECLI:NL:CRVB:2026:1301

Datum uitspraak
20-08-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Zaaknummer
24/1194 AW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Strafontslag. Tijdens een personeelsfeest gooit appellant een bierflesje op de grond. Aan hem wordt de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat deze straf niet evenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Ook het ontslag op andere gronden houdt geen stand, omdat niet is gebleken van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding binnen het team. De Raad voorziet zelf in de zaak, herroept het besluit van 27 juli 2022 en wijzigt de disciplinaire straf van ontslag in schorsing voor de duur van een jaar, met ingang van 27 juli 2022, met inhouding van de jaarvergoeding.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

24/1194 AW, 24/2730 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2024, 23/893 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Fryslân (dagelijks bestuur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

SAMENVATTING

In deze zaak oordeelt de Raad, net als de rechtbank, dat de aan betrokkene opgelegde straf van disciplinair ontslag geen stand kan houden, omdat de straf van ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Ook het ontslag op andere gronden in het nieuwe besluit houdt geen stand, omdat niet is gebleken van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. De Raad voorziet zelf in de zaak door aan betrokkene de straf van schorsing voor de duur van een jaar met inhouding van de jaarvergoeding op te leggen.

PROCESVERLOOP

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. I. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. A.L. van Onna, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur op 23 oktober 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft mr. Van Onna een reactie op dat besluit gegeven.

Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juli 2026. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Kuijken, advocaat, mr. A. Ilicic, J. Zeijl en E. Stoelwinder. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Onna.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Betrokkene was sinds 1 juni 2016 werkzaam als brandweervrijwilliger bij de Veiligheidsregio Fryslân in de functie van (aspirant) manschap A bij de Afdeling [regio] , post [plaats] .

1.2.

Tijdens een personeelsfeest na de open dag op de kazerne in [plaats] op [datum 1] 2022 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij betrokkene een bierflesje op de grond heeft kapot gegooid. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene geschorst gedurende het onderzoek naar dit incident. In dit kader is op 9 juni 2022 een gesprek gevoerd met betrokkene.

1.3.

Op [datum 2] 2022 heeft het dagelijks bestuur aan betrokkene een voornemen tot strafontslag kenbaar gemaakt, waarop betrokkene zijn zienswijze heeft gegeven. Met een besluit van 27 juli 2022 heeft het dagelijks bestuur betrokkene met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim.

1.4.

Met een besluit van 22 december 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 juli 2022 ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur opnieuw op het bezwaar van betrokkene moet beslissen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het ontslag uitsluitend is gebaseerd op het kapot gooien van een bierflesje. Niet in geschil is dat betrokkene zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Dit is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank acht het plichtsverzuim toerekenbaar, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire straf. De rechtbank vindt de straf van ontslag echter niet evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Hierbij heeft de rechtbank het verloop van de feestavond betrokken, waarbij niet alleen betrokkene, maar ook andere collega’s zich onbetamelijk hebben gedragen. Aan andere collega’s zijn minder zware maatregelen opgelegd. De rechtbank heeft er hierbij op gewezen dat het betoog van het dagelijks bestuur dat de feestavond alleen als gevolg van het gedrag van betrokkene is geëscaleerd, niet kan worden gevolgd. Betrokkene is na het gooien van het bierflesje weggelopen en heeft het feest verlaten. Het gedrag van de broer van betrokkene en diens vriendin, later die avond, kan niet aan betrokkene worden toegerekend. Dat betrokkene, nadat hij is teruggekeerd naar de kazerne omdat zijn broer niet kwam, buiten bleef “rondhangen”, leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft betrokkene zich tot aan de feestavond altijd als een goed en verantwoordelijk brandweervrijwilliger gedragen en heeft hij zijn excuses gemaakt voor zijn gedrag op de feestavond. Het dagelijks bestuur heeft dit niet kenbaar bij het bestreden besluit betrokken.

Nieuwe beslissing op bezwaar

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 23 oktober 2024 het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard en betrokkene ontslag verleend op overige gronden. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het gedrag van betrokkene heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. Verder heeft betrokkene collega’s voor het blok gezet door een vragenlijst rond te sturen met de vraag of zij naar de rechtbankzitting zouden komen en zo niet, om aan te geven waarom niet. Dit werkt polariserend waardoor de tweedeling die door het gedrag van betrokkene binnen het team is ontstaan op scherp is gezet.

Het standpunt van het dagelijks bestuur

4. Het dagelijks bestuur is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat het dagelijks bestuur daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het standpunt van betrokkene

5. Betrokkene is het niet eens met het besluit van 23 oktober 2024. Het dagelijks bestuur heeft niet onderbouwd dat sprake is van een vertrouwensbreuk. Bovendien is niet gebleken dat de vertrouwensbreuk een onherstelbaar karakter heeft.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat het dagelijks bestuur in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

6.1.

Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat het verweten plichtsverzuim niet alleen bestaat uit het gooien van het bierflesje, maar ook uit het niet de-escalerende gedrag van betrokkene nadien dat heeft bijgedragen aan het verder laten ontsporen van de avond. Betrokkene had volgens het dagelijks bestuur niet moeten weggaan na het gooien van het bierflesje en bijvoorbeeld direct zijn excuses moeten aanbieden en de glasscherven moeten opruimen. Ook wordt betrokkene verweten dat hij later nog is teruggekomen naar de kazerne. Dit heeft ervoor gezorgd dat de personen die nog op de kazerne aanwezig waren zich onveilig voelden. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht alleen het kapot gooien van het bierflesje in aanmerking genomen als plichtsverzuim. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het gedrag van betrokkene na het gooien van het bierflesje ervoor heeft gezorgd dat de situatie verder uit de hand is gelopen. Dat betrokkene na het kapot gooien van het bierflesje is weggelopen en het feest heeft verlaten is juist aan te merken als de-escalerend gedrag. Het escalerende gedrag van de broer van betrokkene en diens vriendin later die avond kan niet aan betrokkene worden toegerekend. Betrokkene is later op de avond teruggekomen om zijn broer op te halen, maar anders dan het dagelijks bestuur heeft gesteld is niet gebleken dat hij daarmee heeft gezorgd voor een verdere escalatie. Betrokkene is buiten gebleven en heeft daarbij rustig met zijn bevelvoerder staan praten. Ook heeft hij zijn excuses aangeboden aan de aanwezigen buiten. Dat betrokkene zich op dat moment heeft gedragen op een wijze die door anderen als onveilig is ervaren heeft het dagelijks bestuur niet onderbouwd.

6.2.

Niet in geschil is dat het kapot gooien van het bierflesje is aan te merken als plichtsverzuim dat aan betrokkene is toe te rekenen. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd om betrokkene een disciplinaire straf op te leggen.

6.3.

Het dagelijks bestuur heeft betoogd dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Het dagelijks bestuur heeft in dit kader nogmaals benadrukt dat het gedrag van betrokkene na het incident met het bierflesje heeft bijgedragen aan het verder laten ontsporen van de avond. Verder weegt volgens het dagelijks bestuur zwaar mee dat hulpverleners ook op straat worden geconfronteerd met mensen die voorwerpen naar hulpverleners gooien. Temeer nu van betrokkene wordt verwacht dat hij zich in risicovolle situaties kan beheersen, rechtvaardigt dit volgens het dagelijks bestuur de zwaarste disciplinaire straf. De Raad volgt dit betoog niet. Zoals in 6.1 is overwogen is niet onderbouwd dat het gedrag van betrokkene na het incident met het bierflesje heeft bijgedragen aan het verder laten ontsporen van de avond. Evenmin is gebleken dat betrokkene het flesje naar zijn collega’s heeft gegooid. Uit de verklaring van de bevelvoerder ter zitting van de rechtbank blijkt dat betrokkene het flesje richting een open plek op de vloer heeft gegooid terwijl de collega’s op zes meter afstand stonden. Weliswaar heeft betrokkene met het gooien van het flesje niet de zelfbeheersing getoond die van een brandweerman mag worden verwacht, maar dit enkele incident is onvoldoende voor de conclusie dat hij zich in risicovolle situaties niet zou kunnen beheersen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat niet in geschil is dat er niet eerder incidenten met betrokkene zijn geweest en dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd.

6.4.

Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het disciplinaire ontslag geen stand kan houden.

Beroep tegen het besluit van 23 oktober 2024

6.5.

Omdat het nadere besluit niet aan de bezwaren van betrokkene tegemoet komt, wordt dit besluit, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

6.6.

Het dagelijks bestuur heeft op de zitting van de Raad bevestigd dat met het nadere besluit aan betrokkene uitsluitend ontslag op andere gronden wordt verleend. Dit ontslag is verleend per 23 oktober 2024.

6.7.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad1 kan een ontslaggrond als die van artikel 19:42, eerste lid, onder h van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden RegelingUitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.

6.8.

Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken van een onherstelbaar verstoorde verhouding met anderen binnen het team op de ontslagdatum 23 oktober 2024 als gevolg van het gedrag van betrokkene op [datum 1] 2022. Het dagelijks bestuur heeft ervoor gekozen om de verklaringen die door aanwezige collega’s op de feestavond zijn afgelegd niet over te leggen en heeft daarnaast niet met stukken onderbouwd dat bij de collega’s die op de ontslagdatum nog binnen het team werkzaam waren geen vertrouwen meer bestaat in betrokkene. Dat betrokkene voorafgaande aan de zitting bij de rechtbank een vragenlijst aan collega’s heeft verstuurd om zelf verklaringen over het incident te verzamelen is hiervoor onvoldoende. Dit recht kan betrokkene in beginsel niet worden ontzegd. Bovendien is niet gebleken dat betrokkene daarbij ontoelaatbare druk heeft uitgeoefend of anderszins fatsoensnormen heeft overschreden.2

6.7.

Voor zover het gedrag van betrokkene al heeft geleid tot een gebrek aan vertrouwen in en een verstoorde verhouding met betrokkene, levert dit onvoldoende grond op voor de conclusie dat herstel niet meer mogelijk was, mede gelet op het tijdsverloop tussen het incident op [datum 1] 2022 en de ontslagdatum 23 oktober 2024. Dit tijdsverloop had voor het dagelijks bestuur aanleiding moeten zijn om te bezien of de verhoudingen konden worden hersteld. Er is met betrokkene op geen enkel moment gesproken over een mogelijk herstel van het vertrouwen en daarmee van de verhoudingen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om betrokkene ontslag te verlenen op andere gronden. Dit ontslag kan dus ook geen stand houden.

Conclusie en gevolgen

6.8.

Het hoger beroep van het dagelijks bestuur slaagt niet. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 23 oktober 2024 is gegrond en dit besluit wordt vernietigd.

6.9.

De Raad ziet aanleiding om het dagelijks bestuur niet opnieuw op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In het kader van definitieve geschilbeslechting zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 27 juli 2022 herroepen, met dien verstande dat de disciplinaire straf van ontslag met ingang van 27 juli 2022 wordt gewijzigd in de straf van schorsing voor de duur van een jaar, ingaande op 27 juli 2022, met inhouding van de jaarvergoeding, als bedoeld in artikel 19:39, aanhef en onder c, van de CAR-UWO. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak uitsluitend vernietigen voor zover de rechtbank het dagelijks bestuur heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7. Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt € 666,-). en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het nadere besluit, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 3.667,-.

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt wordt van het dagelijks bestuur op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • vernietigt de aangevallen uitspraak uitsluitend voor zover daarbij is bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar moet nemen;

  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2024 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • herroept het besluit van 27 juli 2022, met dien verstande dat de disciplinaire straf van ontslag met ingang van 27 juli 2022 wordt gewijzigd in de straf van schorsing voor de duur van een jaar, ingaande op 27 juli 2022, met inhouding van de jaarvergoeding;

  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 december 2022;

  • veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 3.667,-;

  • bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 559,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door B. Serno als voorzitter en K.H. Sanders en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

CAR-UWO Veiligheidsregio’s

Artikel 19:38 Plichtsverzuim

1. De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 19:39 Disciplinaire straffen

De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd:

a. schriftelijke berisping;

b. inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel 19:14;

c. schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de vergoeding;

d. ongevraagd ontslag.

Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag

1. Het bestuur kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:

(…)

h. een in het ontslagbesluit genoemde andere grond.

2. Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »