23/21 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2022, 21/4643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene] , te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 19 juli 2021 heeft beëindigd, omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank had het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. De Raad heeft gekozen voor een andere aanpak en een tweetal deskundigen ingeschakeld. Op basis van hun bevindingen is, anders dan door betrokkene bepleit, geen verdergaande urenbeperking aangewezen geacht, maar zijn wel enkele andere aanvullende beperkingen aangenomen. Dit heeft geen gevolgen gehad voor de geselecteerde functies. De Raad komt daarom tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. Omdat pas in hoger beroep sprake is van een voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing krijgt betrokkene een vergoeding van haar proceskosten.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft [gemachtigde] een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer van 7 maart 2024. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door Schenk en dr. ir. F.A. Veer.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, benoemd als deskundige.
Dr. Van den Doel heeft op 2 september 2024 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van dr. Van den Doel naar voren gebracht.
De Raad heeft vervolgens psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 9 oktober 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van prof. dr. Koerselman naar voren gebracht, waarop prof. dr. Koerselman bij brief van 12 maart 2026 heeft gereageerd.
Het Uwv heeft een nadere reactie ingezonden.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als secretaresse personeelsadministratie voor 31,95 uur per week. Zij is op 21 april 2017 voor deze werkzaamheden uitgevallen met burn-outklachten. Na een val met de fiets op 19 augustus 2017 had betrokkene ook klachten door een commotio cerebri (hersenschudding). Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 10 mei 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Het Uwv heeft bij besluit van 23 februari 2021 betrokkene na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 10 mei 2021 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij betrokkene onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft een psychiatrische expertise laten verrichten door drs. D. Lam. Na ontvangst van diens rapport van 5 maart 2021 heeft de arts van het Uwv vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 april 2021. De arbeidsdeskundige heeft voor betrokkene functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 18 mei 2021 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 19 juli 2021 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 20 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft enkele beperkingen aan de FML toegevoegd en de urenbelastbaarheid begrensd op ongeveer acht uur per dag en veertig uur per week, waarbij nachtdiensten ongewenst zijn. Met deze FML van 6 augustus 2021 heeft de arbeidsdeskundige bewaar en beroep een aantal geselecteerde functies laten vervallen en heeft zij nieuwe functies geselecteerd die in het verlengde liggen van de eerder geselecteerde functies.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na de schorsing van het onderzoek ter zitting in een FML van 18 mei 2022 op twee beoordelingspunten aanvullende beperkingen aangenomen, namelijk afleiding door activiteiten van anderen (beoordelingspunt 1.9.4) en langdurig/veel lezen van complexe teksten (beoordelingspunt 2.5.1). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij geen aanleiding gezien om een verdere urenbeperking aan te nemen dan dat betrokkene niet ’s nachts, niet onregelmatig en niet langer dan acht uur per dag en veertig uur per week mag werken. De rechtbank heeft overwogen dat het haar ambtshalve bekend is dat hersenletsel geregeld leidt tot vermoeidheidsklachten die wel worden erkend. Volgens de rechtbank lijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkte waarde aan de rapporten van de POH-GGZ, de neuropsycholoog en de chiropractor te hebben toegekend omdat dit geen rapporten van medici zijn. Het feit dat deze paramedici geen medici zijn, betekent volgens de rechtbank niet dat een verzekeringsarts zonder enige inhoudelijke motivering de inhoud van deze rapporten kan negeren. De rechtbank oordeelt daarom dat er een motiveringsgebrek is ten aanzien van de vraag of wel of geen duurbeperking moet worden vastgesteld. Met name in het rapport van de POH-GGZ wordt beschreven waarom een beperking in de duurbelasting aan de orde is. De rechtbank signaleert verder dat in deze zaak verschillende verzekeringsartsen een verschillende visie lijken te hebben. Dit betekent des te meer dat strenge eisen moeten worden gesteld aan de onderbouwing van de standpunten van verzekeringsartsen. Over de resterende geselecteerde voorbeeldfuncties heeft de rechtbank overwogen dat in de functie van samensteller kunststof en rubberproducten met SBCcode 271130 sprake is van activiteiten die kunnen worden aangemerkt als activiteiten van anderen waarbij er verder achtergrondgeluiden zijn van machines, radio en heftruckverkeer. Het dragen van gehoorbescherming is in deze functie niet altijd mogelijk en zal deze prikkels niet wegnemen. De rechtbank acht deze functie ongeschikt. Voor alle geselecteerde functies geldt dat in deze functies wordt gewerkt in één grote ruimte met (veel) afleiding door geluiden en werkzaamheden van naderen. In de toelichting bij beoordelingspunt 1.9.4. is vermeld dat de beperking ziet op werken in één kamer met meerdere personen die veel bellen. De rechtbank ziet niet in waarom dit niet geldt voor het werken in een fabriekshal, die ook gezien kan worden als een grote kamer waar veel achtergrondgeluiden zijn die veel prikkels veroorzaken. Volgens de rechtbank berust het bestreden besluit daarom niet op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
Het hoger beroep van het Uwv
3. Het Uwv heeft zich in hoger beroep aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit, anders dan door de rechtbank aangenomen, wel op een deugdelijke medische en arbeidskundige beoordeling berust. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 februari 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 maart 2023. De rechtbank had bij twijfels over de juistheid van de in de FML aangenomen beperkingen een deskundige kunnen inschakelen.
Het standpunt van betrokkene in hoger beroep
4. Betrokkene heeft in haar verweerschrift te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak.
Deskundigen
5. Op grond van wat betrokkene in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd en de beschikbare medische gegevens, is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid en volledigheid van de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 18 mei 2022. Deze twijfel had onder meer betrekking op de energetische beperkingen. De Raad heeft eerst neuroloog dr. Van den Doel verzocht om betrokkene te onderzoeken en om vragen van de Raad te beantwoorden. Neuroloog dr. Van den Doel concludeert in een rapport van 2 september 2024 dat er geen aanwijzingen zijn voor enige vorm van traumatisch hersenletsel met restverschijnselen, er geen reden is om op de beoordelingsdatum 19 juli 2021 uit te gaan van een aandoening op neurologisch vakgebied en er geen redenen zijn om beperkingen op dat vakgebied aan te nemen. Neuroloog dr. Van den Doel adviseert een expertise op psychiatrisch vakgebied, omdat naar zijn oordeel als neuroloog de problematiek van betrokkene zich op dat vakgebied lijkt af te spelen.
Gelet op dit advies heeft de Raad aanleiding gezien om psychiater prof. dr. Koerselman te raadplegen. In zijn rapport van 9 oktober 2025 komt deze tot de conclusie dat bij betrokkene sprake is van aanpassingsstoornis met gemengde emotionele klachten. De deskundige kan zich verenigen met de medische beperkingen zoals verwoord in de FML van 18 mei 2022, maar acht betrokkene aanvullend beperkt ten aanzien van ‘werk waarbij de klant niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen’ en ‘geluidsbelasting’. De deskundige kan zich op psychiatrische gronden ook verenigen met de urenbeperking die de verzekeringsartsen ten aanzien van de datum in geding voor betrokkene hebben aangenomen. Hij vermeldt daarbij expliciet dat betrokkene, na gewenning, acht uur per dag en veertig uur per week moet kunnen werken.
Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv kan zich blijkens het rapport van 4 november 2025 verenigen met het deskundigenrapport en heeft op dezelfde datum een nieuwe FML opgesteld waarbij, bij beoordelingspunt 1.9.4 afleiding door activiteiten van anderen, als toelichting is vermeld: ‘geen te storende auditieve prikkels, kan wel gebruik maken van dempende koptelefoon of gehoorbescherming, zie ook bij geluid’. Bij beoordelingspunt 3.7 geluidsbelasting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep als toelichting vermeld: ‘geen werkomgeving met geluid structureel boven de 80 dB, af en toe kan wel mits betrokkene dan adequate gehoorbescherming kan dragen en/of gebruik maken van koptelefoon met noise cancelling’.
Betrokkene heeft laten weten dat zij zich kan vinden in de diagnose die de deskundige prof. dr. Koerselman heeft gesteld. Zij is het er echter niet mee eens dat zij acht uur per dag en veertig uur per week kan werken. Betrokkene ervaart dat haar energie zeer beperkt is.
De reacties van partijen, en ook de FML van 4 november 2025, zijn voorgelegd aan prof. dr. Koerselman. Deze heeft in zijn reactie van 12 maart 2026 te kennen gegeven geen aanleiding te zien om zijn advies te wijzigen. Met de toelichtingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 4 november 2025 aan de FML heeft toegevoegd, is volgens prof. dr. Koerselman tegemoetgekomen aan de bedenkingen die in zijn rapport zijn geformuleerd. Prof. dr. Koerselman heeft te kennen gegeven dat hij zich bij zijn oordeel, dat een urenbeperking niet nodig is, heeft laten leiden door de criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Wanneer betrokkene werkzaam zou zijn in functies die passen bij de aangepaste FML, ziet prof. dr. Koerselman geen aanleiding om tot een urenbeperking te adviseren in verband met een verhoogde recidiefkans, dan wel vanwege structureel energiegebrek. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 april 2026 geconcludeerd dat ook, uitgaande van de gewijzigde FML van 4 november 2025, de geselecteerde functies passend zijn. Zij heeft dit per functie en per aangepast beoordelingspunt (1.9.4 en 3.7) toegelicht.
Het oordeel van de Raad
6. Uit het gegeven dat in hoger beroep naar aanleiding van de bevindingen van deskundige prof. dr. Koerselman een aanpassing heeft plaatsgevonden van de FML en de geselecteerde functies vervolgens zijn getoetst aan de aangepaste FML van 4 november 2025, kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de aangevallen uitspraak nog geen sprake was van een adequate medische en arbeidskundige onderbouwing van het standpunt van het Uwv. Dit betekent echter nog niet dat de vernietiging van het bestreden besluit in stand moet blijven. De Raad beoordeelt hierna of dat het geval is.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. De rapporten van de twee deskundigen geven blijk van zorgvuldige onderzoeken en zijn inzichtelijk en consistent gemotiveerd.
Voor wat betreft de grond van betrokkene dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen op grond van de beperkte energie zoals zij die ervaart, wordt overwogen dat bij het vaststellen van de belastbaarheid niet de subjectieve door betrokkene ervaren beperkingen doorslaggevend zijn, maar de met medische stukken geobjectiveerde onderbouwing van de beperkingen. In de reactie van 12 maart 2026 is prof. dr. Koerselman ingegaan op deze stelling van betrokkene en heeft hij overtuigend onderbouwd dat deze gronden niet tot een andere conclusie leiden.
Prof. dr. Koerselman heeft te kennen gegeven dat hij zich, wat betreft de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen, kan verenigen met de FML van 4 november 2025. Dit betekent dat deze FML juist moet worden geacht.
Arbeidskundige beoordeling
Op basis van deze nieuwe FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 april 2026, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geconcludeerd dat de eerder geselecteerde functies onveranderd passend zijn te achten, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene minder dan 35% blijft. De toelichting die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport heeft gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies, is inzichtelijk en navolgbaar. Wat betrokkene heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
Het bestreden besluit is, gelet op de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de beoordeling van de gevolgen van deze aanpassing van de geselecteerde functies door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat betrokkene hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, behoudens de veroordeling van het Uwv in de proceskosten van betrokkene en de opdracht aan het Uwv om het griffierecht van betrokkene te vergoeden. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de beëindiging van de WIAuitkering per 19 juli 2021 in stand blijft.
7. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Vergoeding van de proceskosten in beroep is niet aan de orde, omdat de rechtbank reeds een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. De proceskosten in hoger beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand begroot op € 2.802,- (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en tweemaal 0,5 punt voor een zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde van € 934,- per punt).
Vergoeding van griffierecht in hoger beroep is niet aan de orde, omdat geen griffierecht van betrokkene is geheven.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;
-
verklaart het beroep van betrokkene tegen het besluit van 20 augustus 2021 ongegrond;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.D.F. de Moor