25/2335 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 oktober 2025, 25/742 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan exwerknemer van appellante per 13 januari 2024 een IVAuitkering toe te kennen, omdat zijn volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellante heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat er nog een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid valt te verwachten. De Raad volgt dit standpunt van appellante en geeft het Uwv de opdracht om het motiveringsgebrek te herstellen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. H.E. Wonnink hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Voor appellante is drs. Wonnink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. de Paus en mr. C. Roele.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Exwerknemer is op 16 januari 2020 uitgevallen voor zijn werk als machinist bij appellante voor 36,6 uur per week. Het Uwv heeft exwerknemer met ingang van 13 januari 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2023 exwerknemer met ingang van 13 januari 2024 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij hij onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 november 2023. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat exwerknemer met ingang van 13 januari 2024 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarmee voldoet aan de voorwaarden voor een IVAuitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv, heeft het Uwv op 26 maart 2024 het voornemen geuit de mate van arbeidsongeschiktheid van exwerknemer ongewijzigd vast te stellen op 100%. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft een zienswijze over het voornemen ingebracht.
Bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 november 2023 ongegrond verklaard en beslist overeenkomstig het voornemen. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin verwezen naar een psychiatrische expertise van 30 januari 2024.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat de situatie van geen benutbare mogelijkheden van exwerknemer niet duurzaam is. Het Uwv heeft gedegen onderzoek gedaan naar de behandelmogelijkheden die nog beschikbaar zijn voor exwerknemer en waaruit functionele mogelijkheden kunnen volgen. Op zitting heeft het Uwv toegelicht hoe deze behandelopties specifiek zien op exwerknemer. Er is gekeken naar zijn huidige situatie en naar zijn geschiedenis en daarop gebaseerd heeft de door het Uwv ingeschakelde psychiater suggesties voor behandeltrajecten gedaan. Het standpunt van appellante dat de beoordeling van het Uwv onvoldoende specifiek ziet op de situatie van de ex-werknemer kan de rechtbank dan ook niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder voldoende gemotiveerd waarom eerder ingezette behandelingen nu wel tot verbetering kunnen leiden. Wat de behandeling exact betekent voor de belastbaarheid van exwerknemer kan door de psychiater niet worden gezegd, omdat eerst met de behandelingen gestart moet worden. Verder kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in zijn conclusie dat verbetering niet is uitgesloten en dat de kans op verbetering ook niet als minder dan gering kan worden beschouwd. De stelling van appellante dat het ontbreken van duurzaamheid onvoldoende is gemotiveerd, slaagt volgens de rechtbank daarom niet. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd exwerknemer per 13 januari 2024 een IVAuitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. Ten onrechte is niet onderzocht in hoeverre het niet inzetten of afbreken van (eerdere) behandeling(en) verwijtbaar is, of juist onderdeel is van de ziekte. Verder is ook de vraag wat het daadwerkelijke effect zal zijn van behandeling. Het Uwv heeft deze vraag ten onrechte niet beantwoord.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
Niet in geschil is dat exwerknemer volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van exwerknemer op de datum in geding, 13 januari 2024, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat exwerknemer op grond van artikel 48 van de Wet WIA recht heeft op een IVA in plaats van een WGAuitkering.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.1 Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering. De inschatting van de kans op herstel berust niet in voldoende mate op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij exwerknemer aan de orde zijn. Hiertoe overweegt de Raad als volgt.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verzocht om een psychiatrische expertise. De psychiater heeft exwerknemer onderzocht en heeft op 30 januari 2025 gerapporteerd. In zijn medisch rapport van 7 februari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het rapport van de psychiater samengevat, waarbij is ingegaan op de diagnoses, het ziekteverloop, de behandelgeschiedenis en het gebrek aan behandelmotivatie van exwerknemer. Hierbij is gerapporteerd dat door de psychiater behandelmotivatie van belang wordt geacht. Ook de eigen bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep na de hoorzitting zijn weergegeven in het rapport. Betrokkene ziet weinig nut in weer psychologische behandeling en geeft aan behandelmoe te zijn. Behoudens deze vermeldingen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals het Uwv ook ter zitting van de Raad heeft bevestigd, niet kenbaar beoordeeld of het gebrek aan behandelmotivatie voortkomt uit ziekte en/of gebrek, en zo ja, wat dit betekent voor de inschatting van de kans op herstel.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat de psychiater geen uitspraak kan doen over de te verwachten verbetering, omdat er na behandeling regelmatig restklachten zijn die van invloed kunnen zijn op de belastbaarheid. Er dient eerst nieuwe behandeling plaats te vinden. Aansluitend heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van deze informatie geconcludeerd dat er nog een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid valt te verwachten en dat daarmee nog geen sprake is van duurzaamheid. In het aanvullend rapport van 20 augustus 2025, opgesteld in beroep, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit standpunt herhaald. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee echter onvoldoende gemotiveerd welk mogelijk resultaat van de door de psychiater genoemde behandelingen kan worden verwacht. Mede gelet op het gebrek aan behandelmotivatie is daarmee onvoldoende gemotiveerd of de genoemde behandelingen ook in het specifieke geval van exwerknemer zouden kunnen leiden tot een verbetering van de belastbaarheid.
Uit 5.3 volgt dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd dat er op de datum in geding nog geen aanspraak voor betrokkene bestaat op een IVAuitkering. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door een nader besluit van het Uwv. Het Uwv dient nader te motiveren waarom er een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid valt te verwachten en daarbij in te gaan op de vraag in hoeverre het gebrek aan behandelmotivatie onderdeel is van het ziektebeeld van ex-werknemer. Dat kan door bijvoorbeeld de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadere informatie in te laten winnen middels een psychiatrische expertise, zoals ook in bezwaar is uitgevoerd en door de eerder ingeschakelde psychiater aanvullend te laten rapporteren. De Raad zal daartoe een termijn van vier maanden stellen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,-). In totaal is dit een bedrag van € 3.736,-. Tevens dient het Uwv het in hoger beroep door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak;
-
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 februari 2025;
-
draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
-
bepaalt dat beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
-
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 964,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.