25/2199 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 september 2025, 25/9 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant met ingang van 11 oktober 2011 geen WAO-uitkering heeft toegekend, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de WAOuitkering in 2007. Volgens appellant is sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, zijnde psychische en fysieke beperkingen als gevolg van een tekort aan vitamine B12. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht geen WAO-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.D. van Tellingen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak via beeldbellen behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tellingen. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft zich 22 mei 2003 ziekgemeld vanuit de Werkeloosheidswet. Bij besluit van 20 mei 2004 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De WAO-uitkering is met ingang van 2 juli 2007 beëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15% was.
Op 13 september 2011 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv appellant per 1 maart 2012 hersteld geacht voor de maatgevende arbeid. Op 18 mei 2015 heeft appellant zich ziekgemeld. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is appellant per 5 augustus 2015 hersteld geacht voor de maatgevende arbeid.
Appellant heeft zich op 4 maart 2022 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten en zich op het standpunt gesteld dat zijn ziekmelding op 13 september 2011 had moeten leiden tot een herleving van zijn WAO-recht. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 30 mei 2023 geweigerd appellant per 11 oktober 2011 een WAO-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 22 november 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld volgens vaste rechtspraak van de Raad bij de toepassing van artikel 43a van de WAO de medische beperking die bestonden ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering bepalend zijn. Er moet dus worden bezien of de gestelde en nadien toegenomen beperkingen voortkomen uit dezelfde oorzaak als de beperkingen die golden ten tijde van de intrekking van de WAOuitkering. Uit deze rechtspraak volgt dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de beperkingen van appellant in 2011 en op 2 juli 2007, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering van appellant is ingetrokken.
Uit het verslag van de verzekeringsarts blijkt dat de ziekmelding van appellant per 13 september 2011 verband hield met psychische klachten en dat sprake was van surmenage/burnout door een combinatie van klachten. Appellant heeft na zijn ziekmelding gesprekken gehad met maatschappelijk werk/SPV, waarbij de conclusie zware overspannenheid burnout was. Er heeft geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden, omdat de psychische problematiek bepalend was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 oktober 2024 toegelicht dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2007 geen beperkingen zijn aangenomen op het psychische vlak, dat uit de onderzoeksbevindingen in 2004 blijkt dat geen psychiatrische diagnose en geen persoonlijkheidsproblematiek is vastgesteld en dat in het medisch onderzoek in 2006 en 2007 geen sprake is geweest van beperkingen voor psychische problematiek. De rechtbank heeft geoordeeld dat de motivering en conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak, kan worden gevolgd. Dat al heel lang bestaande klachten volgens appellant sinds 2007 zijn toegenomen laat onverlet dat dit niet ertoe leidt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO.
De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover appellant heeft gesteld dat in 2007 en in 2011 zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld, de belastbaarheid van appellant in 2007 en 2011 in rechte vaststaat. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Omdat de rechtbank geen reden heeft gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat wel degelijk sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar, namelijk een voortdurend vitamine B12 tekort.
De ziekmelding in 2011 hield verband met zowel lichamelijke als fysieke klachten. Beide klachten waren zowel in 2007 als in 2011 aanwezig. In het rapport van de verzekeringsarts van 2 februari 2012 staat dat sprake is van zware overspannenheid/burn-out en spanningsklachten. Ook is geschreven dat sprake is van een hoge bloeddruk. Het Uwv is ten onrechte voorbij gegaan aan zijn lichamelijke klachten. Appellant heeft door een vitamine B12 tekort meerdere klachten.
Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het oordeel van het Uwv dat geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak, namelijk geen psychische klachten in 2007, onjuist is. Er was in 2007 ook al sprake van psychische klachten, want er was al sprake van chronische vermoeidheid die zowel lichamelijk als psychische klachten veroorzaakte. Dit blijkt ook uit het feit dat appellant in 2003 antidepressivum gebruikte. In 2003 is een psychologische expertise verricht waarbij is geconcludeerd dat sprake was van een lichte mate van psychische klachten. Hieruit volgt dat er in 2007 al beperkingen waren die verband hielden met psychische klachten. Appellant heeft gesteld dat met de huidige wetenschappelijk kennis in 2007 anders over zijn klachten zou zijn geoordeeld.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen, onder verwijzing naar het Korošec-arrest.1
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Op grond van artikel 43a van de WAO wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend indien een betrokkene binnen vijf jaar na intrekking van de uitkering arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Niet is gebleken dat bij appellant sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, als bedoeld in artikel 43a van de WAO.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige. Het daartoe gedane verzoek wordt daarom afgewezen.
Van een schending van het beginsel van equality of arms is geen sprake. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde een medisch deskundige te benoemen. Appellant heeft in voldoende mate de mogelijkheid gehad om medische informatie in te brengen en heeft hier ook gebruik van gemaakt. De informatie die hij heeft ingebracht is naar haar aard geschikt om twijfel te zaaien over het oordeel van de verzekeringsartsen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WAO-uitkering toe te kennen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) G.T. Hunsel
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Artikel 43a, eerste lid, van de WAO:
Indien degene:
- a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, of
- b. die aan het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was,
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.