26/46 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
15 december 2025, 25/134 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 september 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.C. Asselbergs hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 14 januari 2026 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 147,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk
28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij brief van 7 februari 2026 heeft gemachtigde van appellant verzocht om vrijstelling van betaling van het verschuldigde griffierecht.
Bij brief van 12 februari 2026 en bij brief van 13 maart 2026 is gemachtigde van appellant gewezen op de voorwaarden voor vrijstelling van het griffierecht. Gemachtigde van appellant is een termijn van vier weken gegeven om hierop te reageren.
Bij schrijven van 23 februari 2026 en van 26 maart 2026 heeft gemachtigde van appellant gereageerd en financiële gegevens overlegd.
Bij brief van 29 april 2026 heeft de Raad gemachtigde van appellant meegedeeld dat hij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Daarbij is gemachtigde van appellant meegedeeld dat hij een nieuwe herinnering griffierecht zal krijgen en is hem verzocht het griffierecht binnen de op de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De nieuwe herinnering griffierecht is vervolgens bij aangetekende brief van 29 april 2026 verzonden. Daarbij is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Ook is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Uit de “track en trace” van PostNL blijkt dat de aangetekende brief van 29 april 2026 op
13 mei 2026 is afgehaald, waarbij een handtekening is gezet voor ontvangst. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat gemachtigde van appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door F. M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026 .
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H. Alajai
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.