95/8232 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellante,
en
het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid,
Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 11 januari 1994 is appellante namens gedaagde in
kennis gesteld van het besluit dat haar ter zake van haar ziektegeval
van 1 oktober 1993 geen uitkering krachtens de Ziektewet (ZW)
wordt toegekend op de grond, dat zij niet ongeschikt was tot het
verrichten van haar werk.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 30 november
1994 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld, hetwelk strekt tot toekenning van ziekengeld
per 1 oktober 1993. Mr H.S.O. Slagers-Busscher, juridisch
adviseur te Roden, heeft namens appellante de gronden van
het beroep aangevuld bij brieven van 12 mei 1995, 30 mei
1995 en 1 september 1995, telkens met bijlagen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden
op 13 september 1995, waar appellante in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr Slagers-Busscher,
voornoemd, als haar raadsvrouw. Gedaagde is met
voorafgaand bericht niet verschenen.
Na die behandeling werd het onderzoek niet volledig
geacht en is dit heropend. In dat kader heeft de
psychiater dr G.F. Koerselman met een rapport van 28 mei
1996 van verslag en advies gediend.
Op dat rapport is namens appellante gereageerd bij brief
van 27 augustus 1996 en namens gedaagde bij brief van
26 september 1996 (met bijlagen). Namens appellante is
dat laatste stuk van commentaar voorzien bij brief van
16 november 1996.
De behandeling van het geding is hervat ter zitting van
de Raad, gehouden op 4 december 1996, waar appellante is
verschenen als op 13 september 1995, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.M.H. Hofstede,
werkzaam ten behoeve van gedaagdes bedrijfsvereniging.
II. MOTIVERING
In geschil is de vraag of appellante met ingang van 1 oktober 1993
wegens ziekte buiten staat was haar werk als maatschappelijk
werkster gedurende 25 uur per week te verrichten.
De rechtbank heeft, na raadpleging van de psychiater
R. Vriesema en de zenuwarts C.J.F. Kemperman, die vraag
ontkennend beantwoord, doorslaggevende betekenis
hechtende aan de conclusie van de deskundige Kemperman,
welke inhield dat er bij appellante sprake was van een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis, maar dat die
stoornis niet als ziekte of gebrek viel aan te merken.
Er niet van overtuigd zijnde dat de deskundige Kemperman
een juiste opvatting omtrent begrippen als ziekte en
gebrek hanteerde, heeft de Raad het aangewezen geacht
zich te doen voorlichten door de psychiater Koerselman.
Aan diens rapport ontleent de Raad het volgende:
"Wanneer van verschillende klachten en symptomen
aannemelijk kan worden gemaakt, dat ze niet op
zichzelf staan maar een onderlinge samenhang
vertonen, spreekt men van een syndroom.
Aannemelijkheid kan voortkomen uit een statistisch
of epidemiologisch verband of uit inzicht in het
ontstaan van verschillende klachten en symptomen.
Indien de ontstaanswijze (pathogenese) bekend is en
inzicht bestaat in de factoren die het
ontstaansproces op gang brengen (etiologie) wordt
een syndroom tot 'ziekte' in de zin van 'disease'.
Een dergelijke ziekte wordt behalve door inzicht in
ontstaan en oorzaak tevens bepaald door kennis over
voorkomen en beloop. Indien van een syndroom
ontstaan en oorzaak niet bekend zijn bevindt een
dergelijk syndroom zich als het ware in de
wachtkamer van de status ziekte. Een dergelijk
syndroom kan alsnog de status van ziekte krijgen,
maar kan ook berusten op een onjuist
geïnterpreteerde samenhang. In de ontwikkeling van
de geneeskunde ziet men syndromen daardoor komen en
gaan. Van sommige syndromen verandert ook de status
als ziekte. (Een voorbeeld hiervan is de zweer in de
twaalfvingerige darm. In de loop van de tijd zijn
hiervoor verschillende oorzaken aangenomen. Hoewel
aan de status van het ulcus duodeni als ziekte niet
is getwijfeld is toch het inzicht in de aard van die
ziekte regelmatig veranderd). Omdat de kennis over
ontstaanswijze en oorzaken van stoornissen in de
geneeskunde nooit definitief of volledig kan zijn,
zou het te rigide zijn syndromen per definitie niet
als ziekte te beschouwen. In het algemeen is men
geneigd een syndroom als ziekte te beschouwen als de
samenhang van klachten en symptomen gebaseerd is op
deugdelijk epidemiologisch onderzoek of als het
voorlopig inzicht in ontstaanswijze en oorzaak,
zonder definitief te zijn, voldoende concreet is.
Ook hangt de status van het syndroom af van de
kwaliteit van de criteria die ter definitie worden aangenomen.".
En vervolgens, na de constatering dat een zo bonte
verzameling van klachten als van appellante, ingeval een
somatisatiestoornis niet aan de orde is, in het
psychiatrisch classificatiesysteem volgens DSM IV
gedefinieerd wordt als een ongedifferentieerde
somatoforme stoornis:
"Dat de ongedifferentieerde somatoforme stoornis bij
haar een psychologische betekenis heeft, wordt
duidelijk uit de mededelingen die zij bij anamnese
doet, als zij niet rechtstreeks wordt ondervraagd.
Als betrokkene direct wordt gevraagd naar de
kwaliteit van haar jeugd beschrijft ze deze als
vlekkeloos. Als haar aandacht is afgeleid vertelt ze
echter over de minderwaardigheidsgevoelens in
relatie tot ervaringen van kleinering en vernedering
door haar vader. Rechtstreeks ondervraagd vertelt
betrokkene te genieten van man en kinderen. Bij
afleiding vertelt ze hoe zeer ze lijdt onder het
gedrag van haar stiefkinderen. Woede wordt door
betrokkene nauwelijks bewust beleefd. Indirect geeft
ze aan, hoezeer ze haar man eigenlijk verwijten
maakt. Betrokkene blijkt niet in staat de zichzelf
opgelegde eis om 'goed' te zijn te combineren met
negatieve gevoelens als woede en onmacht. Het lijkt
mij aannemelijk dat betrokkenes ziekte zijn
oorsprong vindt in symptomen van overbelasting, maar
dat zich geleidelijk een vlucht in de ziekte heeft
ontwikkeld die ze zich niet bewust is. In die ziekte
lijkt zich ook een verlangen kenbaar te maken naar
erkenning, naar zorg en mogelijk naar wraak.
Daardoor kan betrokkene als het ware vermijden dat
zich een ontwikkeling naar depressie voordoet.
De diagnostische categorieën van de DSM IV hebben in
principe ook de status van syndroom. Voor vele
daarvan (zoals schizofrenie, bipolaire of
depressieve stoornissen, angststoornissen) geldt
inmiddels, dat er concrete aanwijzingen zijn voor
ontstaanswijze en mogelijke oorzaken. Ze krijgen
daardoor in wisselende mate duidelijk de status van
ziekte. De somatoforme stoornissen zijn in principe
nog te beschouwen als syndroom. Toch ontlenen ze,
zeker in de formuleringen van de DSM IV, enige
hardheid aan zorgvuldig en epidemiologisch onderzoek
en aan onderzoek naar begeleidende psychologische
factoren. Het zogeheten 'Source Book' van de DSM IV
bevat de relevante referenties. In de DSM IV is
duidelijk aangegeven, dat een classificatie als
syndroom of 'disorder' niet automatisch de
vaststelling van ziekte impliceert. Met name is ook
aangegeven dat een DSM IV-classificatie die
betekenis niet vanzelfsprekend heeft in juridische
zaken. De context is in dat verband relevant.
Rekening houdend met de context van de individuele
ziektegeschiedenis van betrokkene en rekening
houdend met de status van de somatoforme stoornissen
op zichzelf, meen ik dat er bij betrokkene een
psychiatrische diagnose kan worden gesteld, die in
de zin van de ziektewet als ziekte mag worden beschouwd.".
De deskundige concludeerde tenslotte dat er bij
appellante op en na 1 oktober 1993 sprake was van een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis volgens de
criteria van de DSM IV en dat er voldoende grond was om
deze stoornis bij betrokkene te beschouwen als ziekte.
Die stoornis bracht voor appellante duidelijk beperkingen
mee ten aanzien van het verrichten van haar werk als
maatschappelijk werkster. Die beperkingen hadden onder
andere betrekking op het werken onder tijdsdruk, op
conflicterende functie-eisen en vooral op conflicthantering.
Die beperkingen maakten haar het werk onmogelijk. Daarbij
kwam dat op de litigieuze datum (nog) geen sprake was van
adequaat onderzoek of van juiste behandeling en dat, voorzover
betrokkene door haar eigen opstelling hierbij problemen opwierp,
die aan de aandoening zelf geweten moeten worden.
Op grond van de bevindingen, overwegingen en conclusie
van de deskundige Koerselman oordeelt de Raad dat
appellante op en na 1 oktober 1993 wegens ziekte
ongeschikt was tot het verrichten van haar werk als
maatschappelijk werkster.
Hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd, heeft de
Raad niet tot een andere opvatting kunnen brengen.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het
bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak
waarbij dat in stand is gelaten, voor vernietiging in
aanmerking komen.
Voorts acht de Raad termen aanwezig gedaagde te
veroordelen in de aan de zijde van appellante gevallen
kosten, welke op de voet van het Besluit proceskosten
bestuursrecht worden begroot op f 1.420,-- respectievelijk
f 2.485,-- wegens in eerste aanleg respectievelijk in
hoger beroep verleende rechtsbijstand, vermeerderd met de
reiskosten van appellante voor het bijwonen van de
zittingen van de Raad en voor het onderzoek van de
deskundige Koerselman, ten bedrage van f 201,76, totaal
derhalve f 4.106,76. Die kosten moeten in verband met het
feit dat appellante in eerste aanleg heeft geprocedeerd
met behulp van een toegevoegd advocaat, op grond van
artikel 8:75 lid 2 Algemene wet bestuursrecht, worden
voldaan aan de griffier van de Raad. Van andere voor vergoeding
in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
Tenslotte gelast de Raad dat gedaagdes bedrijfsvereniging
het in beide instanties betaalde griffierecht ten bedrage
van f 200,-- aan appellante vergoedt.
Beslist wordt als hierna is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Bepaalt dat appellante met ingang van 1 oktober 1993
recht heeft op ziekengeld, voorzover zich de overige
bepalingen van de ZW zich daartegen niet verzetten;
Veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van appellante
gevallen kosten ten bedrage van f 4.106,76, te betalen
door gedaagdes bedrijfsvereniging en te voldoen aan de
griffier van de Raad;
Gelast dat gedaagdes bedrijfsvereniging het recht ad
f 200,-- aan appellante vergoedt.
Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en
mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in
tegenwoordigheid van mr R.E. Lysen als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1997.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.