ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6849

Datum uitspraak
08-01-1997
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
95/8232 ZW
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Relatie tussen syndroom en ziekte. Omdat de kennis over ontstaanswijze en oorzaken van stoornissen in de geneeskunde nooit definitief of volledig kan zijn, zou het te rigide zijn syndromen per definitie niet als ziekte te beschouwen. In het algemeen is men geneigd een syndroom als ziekte te beschouwen als de samenhang van klachten en symptomen is gebaseerd op deugdelijk epidemiologisch onderzoek of als het voorlopig inzicht in de ontstaanswijze en oorzaak, zonder definitief te zijn, voldoende concreet is. Ook hangt de status van het syndroom af van de kwaliteit van de criteria die ter definitie worden aangenomen. In casu is er sprake van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis volgens de criteria van de DSM IV en is er voldoende grond om deze stoornis bij betrokkene te beschouwen als ziekte.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

95/8232 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid,

Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 11 januari 1994 is appellante namens gedaagde in

kennis gesteld van het besluit dat haar ter zake van haar ziektegeval

van 1 oktober 1993 geen uitkering krachtens de Ziektewet (ZW)

wordt toegekend op de grond, dat zij niet ongeschikt was tot het

verrichten van haar werk.

De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 30 november

1994 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep

ingesteld, hetwelk strekt tot toekenning van ziekengeld

per 1 oktober 1993. Mr H.S.O. Slagers-Busscher, juridisch

adviseur te Roden, heeft namens appellante de gronden van

het beroep aangevuld bij brieven van 12 mei 1995, 30 mei

1995 en 1 september 1995, telkens met bijlagen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden

op 13 september 1995, waar appellante in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr Slagers-Busscher,

voornoemd, als haar raadsvrouw. Gedaagde is met

voorafgaand bericht niet verschenen.

Na die behandeling werd het onderzoek niet volledig

geacht en is dit heropend. In dat kader heeft de

psychiater dr G.F. Koerselman met een rapport van 28 mei

1996 van verslag en advies gediend.

Op dat rapport is namens appellante gereageerd bij brief

van 27 augustus 1996 en namens gedaagde bij brief van

26 september 1996 (met bijlagen). Namens appellante is

dat laatste stuk van commentaar voorzien bij brief van

16 november 1996.

De behandeling van het geding is hervat ter zitting van

de Raad, gehouden op 4 december 1996, waar appellante is

verschenen als op 13 september 1995, en waar gedaagde

zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.M.H. Hofstede,

werkzaam ten behoeve van gedaagdes bedrijfsvereniging.

II. MOTIVERING

In geschil is de vraag of appellante met ingang van 1 oktober 1993

wegens ziekte buiten staat was haar werk als maatschappelijk

werkster gedurende 25 uur per week te verrichten.

De rechtbank heeft, na raadpleging van de psychiater

R. Vriesema en de zenuwarts C.J.F. Kemperman, die vraag

ontkennend beantwoord, doorslaggevende betekenis

hechtende aan de conclusie van de deskundige Kemperman,

welke inhield dat er bij appellante sprake was van een

ongedifferentieerde somatoforme stoornis, maar dat die

stoornis niet als ziekte of gebrek viel aan te merken.

Er niet van overtuigd zijnde dat de deskundige Kemperman

een juiste opvatting omtrent begrippen als ziekte en

gebrek hanteerde, heeft de Raad het aangewezen geacht

zich te doen voorlichten door de psychiater Koerselman.

Aan diens rapport ontleent de Raad het volgende:

"Wanneer van verschillende klachten en symptomen

aannemelijk kan worden gemaakt, dat ze niet op

zichzelf staan maar een onderlinge samenhang

vertonen, spreekt men van een syndroom.

Aannemelijkheid kan voortkomen uit een statistisch

of epidemiologisch verband of uit inzicht in het

ontstaan van verschillende klachten en symptomen.

Indien de ontstaanswijze (pathogenese) bekend is en

inzicht bestaat in de factoren die het

ontstaansproces op gang brengen (etiologie) wordt

een syndroom tot 'ziekte' in de zin van 'disease'.

Een dergelijke ziekte wordt behalve door inzicht in

ontstaan en oorzaak tevens bepaald door kennis over

voorkomen en beloop. Indien van een syndroom

ontstaan en oorzaak niet bekend zijn bevindt een

dergelijk syndroom zich als het ware in de

wachtkamer van de status ziekte. Een dergelijk

syndroom kan alsnog de status van ziekte krijgen,

maar kan ook berusten op een onjuist

geïnterpreteerde samenhang. In de ontwikkeling van

de geneeskunde ziet men syndromen daardoor komen en

gaan. Van sommige syndromen verandert ook de status

als ziekte. (Een voorbeeld hiervan is de zweer in de

twaalfvingerige darm. In de loop van de tijd zijn

hiervoor verschillende oorzaken aangenomen. Hoewel

aan de status van het ulcus duodeni als ziekte niet

is getwijfeld is toch het inzicht in de aard van die

ziekte regelmatig veranderd). Omdat de kennis over

ontstaanswijze en oorzaken van stoornissen in de

geneeskunde nooit definitief of volledig kan zijn,

zou het te rigide zijn syndromen per definitie niet

als ziekte te beschouwen. In het algemeen is men

geneigd een syndroom als ziekte te beschouwen als de

samenhang van klachten en symptomen gebaseerd is op

deugdelijk epidemiologisch onderzoek of als het

voorlopig inzicht in ontstaanswijze en oorzaak,

zonder definitief te zijn, voldoende concreet is.

Ook hangt de status van het syndroom af van de

kwaliteit van de criteria die ter definitie worden aangenomen.".

En vervolgens, na de constatering dat een zo bonte

verzameling van klachten als van appellante, ingeval een

somatisatiestoornis niet aan de orde is, in het

psychiatrisch classificatiesysteem volgens DSM IV

gedefinieerd wordt als een ongedifferentieerde

somatoforme stoornis:

"Dat de ongedifferentieerde somatoforme stoornis bij

haar een psychologische betekenis heeft, wordt

duidelijk uit de mededelingen die zij bij anamnese

doet, als zij niet rechtstreeks wordt ondervraagd.

Als betrokkene direct wordt gevraagd naar de

kwaliteit van haar jeugd beschrijft ze deze als

vlekkeloos. Als haar aandacht is afgeleid vertelt ze

echter over de minderwaardigheidsgevoelens in

relatie tot ervaringen van kleinering en vernedering

door haar vader. Rechtstreeks ondervraagd vertelt

betrokkene te genieten van man en kinderen. Bij

afleiding vertelt ze hoe zeer ze lijdt onder het

gedrag van haar stiefkinderen. Woede wordt door

betrokkene nauwelijks bewust beleefd. Indirect geeft

ze aan, hoezeer ze haar man eigenlijk verwijten

maakt. Betrokkene blijkt niet in staat de zichzelf

opgelegde eis om 'goed' te zijn te combineren met

negatieve gevoelens als woede en onmacht. Het lijkt

mij aannemelijk dat betrokkenes ziekte zijn

oorsprong vindt in symptomen van overbelasting, maar

dat zich geleidelijk een vlucht in de ziekte heeft

ontwikkeld die ze zich niet bewust is. In die ziekte

lijkt zich ook een verlangen kenbaar te maken naar

erkenning, naar zorg en mogelijk naar wraak.

Daardoor kan betrokkene als het ware vermijden dat

zich een ontwikkeling naar depressie voordoet.

De diagnostische categorieën van de DSM IV hebben in

principe ook de status van syndroom. Voor vele

daarvan (zoals schizofrenie, bipolaire of

depressieve stoornissen, angststoornissen) geldt

inmiddels, dat er concrete aanwijzingen zijn voor

ontstaanswijze en mogelijke oorzaken. Ze krijgen

daardoor in wisselende mate duidelijk de status van

ziekte. De somatoforme stoornissen zijn in principe

nog te beschouwen als syndroom. Toch ontlenen ze,

zeker in de formuleringen van de DSM IV, enige

hardheid aan zorgvuldig en epidemiologisch onderzoek

en aan onderzoek naar begeleidende psychologische

factoren. Het zogeheten 'Source Book' van de DSM IV

bevat de relevante referenties. In de DSM IV is

duidelijk aangegeven, dat een classificatie als

syndroom of 'disorder' niet automatisch de

vaststelling van ziekte impliceert. Met name is ook

aangegeven dat een DSM IV-classificatie die

betekenis niet vanzelfsprekend heeft in juridische

zaken. De context is in dat verband relevant.

Rekening houdend met de context van de individuele

ziektegeschiedenis van betrokkene en rekening

houdend met de status van de somatoforme stoornissen

op zichzelf, meen ik dat er bij betrokkene een

psychiatrische diagnose kan worden gesteld, die in

de zin van de ziektewet als ziekte mag worden beschouwd.".

De deskundige concludeerde tenslotte dat er bij

appellante op en na 1 oktober 1993 sprake was van een

ongedifferentieerde somatoforme stoornis volgens de

criteria van de DSM IV en dat er voldoende grond was om

deze stoornis bij betrokkene te beschouwen als ziekte.

Die stoornis bracht voor appellante duidelijk beperkingen

mee ten aanzien van het verrichten van haar werk als

maatschappelijk werkster. Die beperkingen hadden onder

andere betrekking op het werken onder tijdsdruk, op

conflicterende functie-eisen en vooral op conflicthantering.

Die beperkingen maakten haar het werk onmogelijk. Daarbij

kwam dat op de litigieuze datum (nog) geen sprake was van

adequaat onderzoek of van juiste behandeling en dat, voorzover

betrokkene door haar eigen opstelling hierbij problemen opwierp,

die aan de aandoening zelf geweten moeten worden.

Op grond van de bevindingen, overwegingen en conclusie

van de deskundige Koerselman oordeelt de Raad dat

appellante op en na 1 oktober 1993 wegens ziekte

ongeschikt was tot het verrichten van haar werk als

maatschappelijk werkster.

Hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd, heeft de

Raad niet tot een andere opvatting kunnen brengen.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het

bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak

waarbij dat in stand is gelaten, voor vernietiging in

aanmerking komen.

Voorts acht de Raad termen aanwezig gedaagde te

veroordelen in de aan de zijde van appellante gevallen

kosten, welke op de voet van het Besluit proceskosten

bestuursrecht worden begroot op f 1.420,-- respectievelijk

f 2.485,-- wegens in eerste aanleg respectievelijk in

hoger beroep verleende rechtsbijstand, vermeerderd met de

reiskosten van appellante voor het bijwonen van de

zittingen van de Raad en voor het onderzoek van de

deskundige Koerselman, ten bedrage van f 201,76, totaal

derhalve f 4.106,76. Die kosten moeten in verband met het

feit dat appellante in eerste aanleg heeft geprocedeerd

met behulp van een toegevoegd advocaat, op grond van

artikel 8:75 lid 2 Algemene wet bestuursrecht, worden

voldaan aan de griffier van de Raad. Van andere voor vergoeding

in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Tenslotte gelast de Raad dat gedaagdes bedrijfsvereniging

het in beide instanties betaalde griffierecht ten bedrage

van f 200,-- aan appellante vergoedt.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Bepaalt dat appellante met ingang van 1 oktober 1993

recht heeft op ziekengeld, voorzover zich de overige

bepalingen van de ZW zich daartegen niet verzetten;

Veroordeelt gedaagde in de aan de zijde van appellante

gevallen kosten ten bedrage van f 4.106,76, te betalen

door gedaagdes bedrijfsvereniging en te voldoen aan de

griffier van de Raad;

Gelast dat gedaagdes bedrijfsvereniging het recht ad

f 200,-- aan appellante vergoedt.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en

mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in

tegenwoordigheid van mr R.E. Lysen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1997.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »