uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2414
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19.
Met de uitspraak van 20 juni 2023 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak van 20 juni 2023 heeft de ondernemer verzet gedaan.
Met de brief van 4 augustus 2023 heeft de minister een door het College gestelde vraag beantwoord
Overwegingen
1. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat het beroepschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar (verontschuldigbaar) is.
2 De ondernemer heeft in verzet zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Hij stelt dat hij op 29 augustus 2022, dus na het verstrijken van de termijn, met een medewerker van de minister het indienen van het te late bezwaarschrift heeft afgestemd en dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat zijn bezwaar inhoudelijk zou worden behandeld. Het College volgt de ondernemer hier niet in. In de brief van 4 augustus 2023 heeft de minister erop gewezen dat er geen bewijs is voor enige “afstemming”. Wat er is gebeurd, is dat de betrokken medewerker de ondernemer heeft voorgelicht over de manier waarop - alsnog - een bezwaarschrift kon worden ingediend, namelijk via het e-loket. Dat is niet meer dan een informatieve mededeling en geen toezegging of andere gedraging of uitlating waaruit de ondernemer redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat een te laat bezwaarschrift toch inhoudelijk zou worden behandeld. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de uitspraak van 20 juni 2023 niet juist is.
3 Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd. Het College kan en zal daarom niet ingaan op de gronden die in het verzetschrift (opnieuw) tegen het besluit van de minister zijn aangevoerd.
4 De minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt