Artikelen 14-27
Artikel 14
Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.
Artikel 15
Lid 1
Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders.
Lid 2
Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen:
bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg;
bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram.
Artikel 15a
Lid 1
Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken.
Lid 2
Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.
Artikel 16
Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden.
Artikel 17
Lid 1
Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door:
indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden;
indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden.
Lid 2
Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven.
Artikel 18
Lid 1
Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.
Lid 2
Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan.
Lid 3
Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram.
Artikel 19
De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is.
Artikel 20
Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:
voor motorvoertuigen 50 km per uur;
voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
op het fiets/bromfietspad 30 km per uur;
op de rijbaan 45 km per uur;
op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 30 km per uur;
voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.
Artikel 21
Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:
voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;
voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:
op het fiets/bromfietspad 40 km per uur;
op de rijbaan 45 km per uur;
op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 40 km per uur;
voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.
Artikel 22
Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden:
voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur;
voor T100-bussen 100 km per uur;
voor brommobielen 45 km per uur;
voor snorfietsen 25 km per uur;
voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur;
voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur.
Artikel 22a
Lid 1
Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, geldt als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen: 25 km per uur.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid geldt, voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, als maximumsnelheid voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, al dan niet met aanhangwagen, op wegen:
buiten de bebouwde kom; en
binnen de bebouwde kom:
die zijn voorzien van een vrijliggend fietspad of fiets/bromfietspad;
die gesloten zijn voor fietsers; of
waar een maximumsnelheid van 70 km per uur geldt:
40 km per uur.
Artikel 23
Lid 1
De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:
op een kruispunt of een overweg;
op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;
op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;
in een tunnel;
bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;
op de rijbaan langs een busstrook en
langs een gele doorgetrokken streep.
Lid 2
Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.
Artikel 24
Lid 1
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;
voor een inrit of een uitrit;
buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;
op een parkeergelegenheid:
voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen;
op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven;
op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden;
langs een gele onderbroken streep;
op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen;
op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
Lid 2
Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.
Lid 3
De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren.
Lid 4
Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.
Artikel 25
Lid 1
Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.
Lid 2
Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
Lid 3
Op de parkeerschijf staat aan de getoonde zijde slechts één cijferreeks, die een aanduiding geeft van de kalenderuren, en die vanaf het begin van het parkeren in duidelijk leesbare cijfers tegen een contrasterende achtergrond in hele of halve uren het tijdstip weergeeft waarop met het parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt.
Lid 4
Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken.
Lid 5
Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren.
Artikel 26
Lid 1
Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:
een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;
een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of
indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.
Lid 2
Indien op een onderbord een maximale parkeerduur is vermeld, is artikel 25, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de parkeerplaats niet hoeft te zijn voorzien van een blauwe streep.
Artikel 27
Fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad of in de berm dan wel op andere door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen.